(Een artikel dat eerder in de Varagids verscheen)
Grote innovatie komt altijd uit onverwachte hoek. Waar het geen gekke gedachte was geweest dat computergigant Microsoft ook op computernetwerk internet een prominente rol zou gaan spelen, was het Google dat daar op afstand met vernieuwende diensten de grootste werd. Waar het niet onlogisch was geweest als platenmaatschappijen op internet met nieuwe toepassingen voor muziekliefhebbers waren gekomen, was het Apple dat met zijn iTunes store, iPod en iPhone de muziekwereld op zijn kop zette. Vaste patronen, vaste gewoontes, ze verhinderen echt radicale vernieuwing. De grootste sprongen voorwaarts komen vaak van partijen zonder ballast uit het verleden. De grote stap op televisiegebied gaat dan ook niet van de klassieke spelers komen.
Controle
Zeker, aan televisies wordt hard gesleuteld. Van zwart-wit gingen we naar kleur, gingen we naar HD en gaan we nu naar 3D. Over drie jaar hebben 30% van de huishoudens een 3D-tv, verwacht onderzoeksburo GfK. Net5 is later dit jaar al bij Ziggo met een brilletje op in drie dimensies te zien. De kwaliteit van hetzelfde wordt beter. Maar de ervaring en het gebruik worden daarmee nog niet fundamenteel anders. We blijven op televisie naar een kastje kijken waarop inhoud staat die door iemand anders voor ons is geselecteerd en klaar gezet. We blijven turen naar een gecontroleerde omgeving waar weinig ontwikkeling in zit. En dat terwijl we de rest van de dag gewend raken aan een onbeperkte hoeveelheid inhoud op internet en mobiel waar we zelf uit kunnen kiezen. Natuurlijk, mooi zo’n on demand omgeving van UPC waar af en toe een film bijkomt, maar die van mijn voorkeur zit er dan weer niet bij. En aan YouTube wordt per minuut 24 uur (!) video toegevoegd. Dat is 1440 uur aan nieuwe video per uur en 34.560 per dag! De beeldkwaliteit van het YouTube materiaal wordt steeds beter en de diversiteit en kwaliteit van het gebodenen is groot en er zitten veel parels tussen.
Maar hoe vinden we die parels? Wie helpt ons kijken? Dat is de klassieke rol van een televisiezender. Of van een gids als de Varagids. Dat gaat heel erg goed met televisiezenders die schaarste kennen waardoor maar beperkte selecties hoeven worden gemaakt. Maar hoe zit dat straks als we die oneindige hoeveelheid video overal tot onze beschikking hebben, waar we ook zijn? Naast tv is dan video op mobiel, laptop of iPad voor iedereen normaal. Dan zijn het naar mijn mening ook hier de nieuwe spelers die het verschil gaan maken.
Vrienden
Wereldwijd worden bijvoorbeeld Google en Facebook cruciaal als het gaat om vinden, ontdekken en adviseren. Google is de partij met de meest gebruikte zoekmachine die dagelijks beter leert om voor ons te vinden wat we zoeken. Dat is in het algemeen op internet zo, maar nog meer binnen een omgeving als YouTube waar mensen inhoud beoordelen met sterren, commentaar leveren in de comments en films tot favoriet bestempelen om later nog eens terug te kijken. Dat kijkgedrag van mensen leert Google enorm veel en helpt het bedrijf betere selecties voor anderen te maken. Google kan ons op termijn beter persoonlijk bedienen dan welke klassieke televisiespeler ook. Daarnaast weten de sociale netwerken als geen ander wie onze vrienden zijn, wat hun gedrag is en wat hun voorkeuren zijn. Met die kennis gaan zij een belangrijke rol spelen.
Nu al kijk ik meer programma’s (op tv of op internet) dan ooit omdat anderen me via Twitter of Facebook wijzen op wat zij de moeite waard vinden. En doordat Facebook (of in Nederland Hyves) tzt ook kan aftappen wat ik kijk en mooi vind, wordt een sociale vorm van een gids belangrijk bij selectie en vinden. Wat vinden mijn vrienden goed? Waar wordt veel over gepraat en houdt hen dus bezig? Naast de traditionele deskundigen worden dit de gidsen van de toekomst.
Internet-tv
Hoe die dan onze televisie binnenkomen? Vooralsnog niet via de reguliere kabel of satelietbedrijven, die hebben hun model op gesloten systemen gebouwd waarbij zij de sleutel tot toegang in handen hebben. Daar is niet de controle aan de gebruiker, maar de controle aan de distributeur. Digitenne of UPC of Ziggo bepalen waaruit we mogen kiezen en bepalen met gemak dat een favoriete zender van de ene op de dag uit het pakket gaat. Dat is steeds minder vol te houden, omdat we in ons andere media-gebruik anders gewend zijn. Daar zijn we overvloed en keuze gewend. Via de tv-bouwers dan? Die hebben enerzijds een simpel belang om zoveel mogelijk kastjes te verschepen. Zij aarzelen dus niet om internet-aansluiting in televisies te bouwen. Het is de verwachting dat binnen drie jaar meer dan 70% van de televisies een internet aansluiting kent, maakte onderzoeksburo GfK recent bekend. Maar ja hoe surf je via internet met je gewone afstandsbediening? Dat is lastig. En dus worden er weer speciale omgevingen en toepassingen gebouwd om sites op een tv uit de verf te komen. En gaan de tv-aanbieders op de stoel van een kabelaar zitten door een gecontroleerde omgeving aan te bieden met sites die voor tv geschikt zijn. En zitten we alsnog in de schaarste verstrikt.
Gaan Google en Apple dan ook hier verschil maken? Het zou zo maar eens kunnen. Google kondigde onlangs aan met Google TV te komen. Een kastje dat op de tv moet worden aangesloten dat daarmee de kracht van Google en YouTube (zoeken / vinden / kijken) de huiskamer binnenbrengt. Er zijn daar nog veel hobbels te nemen, want een computer is geen tv, gebruik op een bank is anders dan gebruik achter een pc, maar doordat Google met open source technologie werkt zal het aantal mensen groot zijn dat mee gaat ontwikkelen op zoek naar de heilige video. Dat gaat zeker verschil maken. En Google investeert hier graag in, want als ze ook in de huiskamer een deel van de advertentiemarkt naar zich toe kunnen trekken, zullen ze dat niet laten.
Totaalpakket
En Apple zou snel met de opvolger van de AppleTV komen, een kastje dat naar verluidt 99 dollar gaat kosten. Tot op heden is het het bedrijf van Steve Jobs niet gelukt om een deuk in een pakje boter te slaan waar het de televisie betreft, maar het totaalpakket kon weleens succesvol worden. Waarom? Er is geen partij die de distributie en verkoop zo goed op orde heeft als Apple. Dankzij de iTunes store is het kinderlijk eenvoudig om inhoud te kopen of huren. In Amerika is het aanbod aan films en tv-programma’s snel aan het groeien en kun je waar je maar wilt je favorieten bekijken. Op de computer, op de iPhone, op de iPad en dan dus op de vernieuwde AppleTV. Het moet gezegd, oude gebruiken veranderen niet zomaar. En dus is het niet zo dat het huis op stel en sprong veranderd is. Maar bij de NOS meldt men al dat per maand meer dan 11 miljoen videostreams worden opgevraagd en YouTube bracht recent naar buiten dat we met zijn allen 2 miljard keer (!) per dag een video op de site starten. Nog niet in verhouding met ‘gewoon’ tv kijken, maar indrukwekkend als je weet dat 10 jaar geleden video op internet nog uitzonderlijk was.
De lijn is helder. We gaan altijd en overal alles tot onze beschikking willen hebben. Hoe het kastje ook heet, hoe het scherm er ook uitziet. Dankzij een zogenoemde Slingbox kan ik nu al waar ik ook ben mijn televisiezenderpakket van thuis bekijken en de programma’s op de harde schijf raadplegen. Op een laptop, op een touchpad, allemaal.
Alles online
In de toekomst speelt alles zich online af. De BBC gaat er vanuit dat in 2020 internet centraal staat bij de productie. Dan wordt niet meer in programma’s gedacht, maar in ‘het wegzetten van producten’, vertelde de Nederlander Erik Huggers van de BBC onlangs op het Mediapark Jaarcongres in Hilversum. Waar de cd al aan het afsterven is, is de dvd vervolgens aan de beurt. Er is straks zowel een video-archief waar kosteloos in gestruind mag worden met advertenties als verdienmodel als een bibliotheek-model waarbij we aan een ander loket de overige inhoud (of dezelfde inhoud van hogere beeldkwaliteit) tegen een vast maandbedrag bekijken. Niet meer downloaden, maar streamen, omdat internet er altijd is. Wat Spotify voor geluid doet (voor een tientje per maand de complete collectie van 8 miljoen nummers altijd binnen handbereik) gaat een ander voor beeld doen.
En de interactiviteit? Die zit tegen die tijd niet in de televisie, zoals we bij digitale televisie lang gedacht hebben, maar in mobiel of touchpad. Mijn iPhone is nu al mijn afstandsbediening van mijn Sonos geluidsinstallatie. Waarom straks niet mijn iPad of andere touchpad als extensie van mijn tv waar ik met een goede interface kan surfen, selecteren, communiceren e.d? En waar ik met dat extra apparaat een persoonlijke ervaring kan creeren die anders is dan van degene die verderop in dezelfde kamer zit. Het grote scherm wordt de gedeelde ervaring, daaromheen worden op het tweede scherm de persoonlijke keuzes gemaakt. Tijdens een schaatswedstrijd bekijk ik aanvullende informatie over de schaatsers of zoom ik in op mijn favorieten. De NOS doet dit al tijdens de Wereldkampioenschappen Voetbal en zal later ook weer uitpakken tijdens de Tour de France. Steeds meer mensen zetten tijdens De Wereld Draait Door of andere programma’s een Twitter-kanaal open om te kletsen over wat ze zien. Of om te kijken waar vrienden bankhangend naar kijken. Maar dat gebeurt dus niet op de televisie, dat gebeurt op schoot. Op dat zoegenoemde tweede scherm. Watching Alone Together.
Hoe snel de ontwikkelingen gaan? Of het allemaal onze tijd wel zal duren? Het is al volop aan de gang. Google bestaat nog maar tien jaar en kijk eens welke impact het bedrijf heeft gehad. YouTube bestaat nog maar vijf jaar en heeft de videomarkt opgeschud. De iPhone is pas 3 en heeft mobiel internet groot gemaakt. Technologische ontwikkelingen lijken altijd langzaam te gaan, maar zijn dan opeens vrijwel ongemerkt een feit. De techniek ontwikkelt nu sneller dan ooit. En de nieuwe spelers laten niet op zich wachten. Die stomen keihard door. Ook de wereld van de tv en video is over vijf jaar ingrijpend veranderd.
vrijdag 16 juli 2010
De toekomst van de tv
donderdag 15 juli 2010
eReaders Groep maakt onafhankelijk platform e-content | Publishr
![]()
Nederlandse uitgevers kunnen binnenkort hun digitale content gefragmenteerd aanbieden op één overkoepelend platform. De lezer kan op dit platform, eLinea, met verschillende soorten content, een eigen abonnement samenstellen, en deze online content uitlezen op verschillende ‘readers’.
Onder meer NRC Handelsblad, BN/De Stem, Vrij Nederland, Voetbal International, Psychologie Magazine, het Nederlands Dagblad en De Limburger werken mee aan de pilotfase.
Eigen keuze
De lezer kan de journalistieke content ontvangen op het e-reader apparaat van zijn eigen keuze, smartphone, laptop, netbook, e-reader of tablet-PC. De uitgever of schrijver biedt de content aan in zogenoemde artikelkanalen, waaruit de lezer een keuze kan maken om het abonnement samen te stellen. Bijvoorbeeld een abonnement op het economische nieuws van NRC handelsblad, achtergrondartikelen van Voetbal International en het regionale nieuws van De Limburger.
Voor de smartphones en tablets komt er een mobiele website, waarop de content direct gelezen kan worden, zonder te downloaden. Downloaden is ook mogelijk in ePub- of pdf-formaat.
eReaders Groep
Het initiatief van eReaders Groep bevindt zich momenteel nog in de alpha-fase. Uiteindelijk is het de bedoeling dat uitgevers met het platform een nieuw businessmodel kunnen opzetten. “De uitgever krijgt het grootste deel van de opbrengsten uit de abonnementsgelden, 70 procent. Het resterende bedrag gaat naar eReaders Groep, om het platform door te ontwikkelen”, aldus Natasja Oosterloo, business developer bij eReaders Groep. Er hoeft niet betaald te worden om content aan te leveren.
Oosterloo: “Uitgevers zijn positief. We kunnen nu goed tonen wat het is. Het is ook een belangrijke factor dat uitgevers zien dat de concurrent meedoet. Veel uitgevers staan zelf op de drempel wat te doen met digitale content. Ze kunnen zelf een platform bouwen, of meedoen met een derde partij.”
Stimuleringsfonds voor de Pers
Op dit moment is het initiatief nog in besloten fase. In september moet er een betaversie klaar staan. Deze herfst staat de soft launch gepland. “Dan wordt het pas echt interessant, omdat je met gebruik goed kunt kijken voor welke soort content meer betalingsbereidheid is”, aldus Oosterloo.
Het Stimuleringsfonds voor de Pers kende nog een subsidie toe van ruim 55.000 euro. Het fonds schaart zich achter het idee om een centraal en onafhankelijk artikelenplatform te ontwikkelen voor journalistieke content.
Dit artikel van Emerce redacteur Jannemiek Starkenburg verscheen afgelopen week op Emerce.nl
Wellicht ook interessant!
- Markt voor e-readers is niet te vergelijken met de muziekindustrie
- E-book uitgeven? O’Reilly doet voor hoe het moet!
- Wegener test nieuw verdienmodel automotive
- Wat moet je nu nog met een e-reader?
- Gratis e-readers voor boekliefhebbers
Emerce gaat over online business en marketing. Emerce biedt managers en ondernemers inspiratie en biedt kennis om te kunnen innoveren. Dat gebeurt op verschillende manieren en vormen. Het crossmediale merk Emerce omvat het magazine dat 9 keer per jaar verschijnt, speciale edities zoals de Emerce 100, de site, emailnieuwsbrieven, webseminars, rss-feeds, via mobile en evenementen zoals Emerce eDay, Insights en Updates.
Bekijk meer berichten van Redactie Emerce
Onderzoek toont aan: consument bereid te betalen voor content op maat – (via eLinea)
In een deze week verschenen rapport van PricewaterhouseCoopers in opdracht van het Stimuleringsfonds voor de Pers komen interessante resultaten naar voren ten aanzien van de betalingsbereidheid van de consument voor digitale content op maat. Het rapport ‘De transitie naar digitale proposities in de krantenindustrie’ laat zien op welke manier en voor welke content de consument bereid is te betalen.
Het blijkt dat de uitkomsten van dit rapport zeer nauw aansluiten bij het business model dat eLinea biedt aan uitgevers van kranten en tijdschriften. Een van de belangrijkste aanbevelingen in het rapport is om journalistieke content gefragmenteerd aan te bieden in plaats van een complete editie. Op deze manier is het mogelijk om heel gericht de juiste prijszetting per nieuws-en/of artikeltype te bepalen en speelt optimale klantsegmentatie een belangrijke rol. Binnen eLinea hebben uitgevers de mogelijkheid om per katern, onderwerp, rubriek, redactie of zelfs per individuele journalist een artikelenkanaal aan te maken. Elk kanaal heeft zijn eigen maandprijs en hoeveelheid artikelen die beschikbaar komen. De lezer kan op deze manier een persoonlijke selectie maken en gemakkelijk betalen voor de artikelen die passen bij zijn of haar interesse.
Uit het onderzoek blijkt verder dat de betalingsbereidheid van consumenten verschilt per nieuwstype. Voor digitaal financieel nieuws kiezen consumenten over het algemeen voor de relatief hooggeprijsde proposities, bij regionaal nieuws of entertainmentnieuws geldt het tegenovergestelde. Door goed in te spelen op deze verschillen ten aanzien van betalingsbereidheid kunnen uitgevers hun digitale content goed vermarkten. Deze kans is perfect te benutten via eLinea.
Ook de voorkeuren van de digitale lezer zijn onderzocht. Het blijkt dat lezers van digitale content andere voorkeuren hebben dan lezers die de traditionele print-editie lezen. Digitale lezers willen gebruik kunnen maken van linkjes om door te kunnen klikken naar gerelateerde artikelen, video’s bekijken, reageren op artikelen en archieven doorzoeken. In al deze punten zal eLinea voorzien. Daarbij zijn de artikelen die via eLinea aangeboden zullen worden, te lezen op elk beschikbaar apparaat; smartphones, laptops, netbooks, eInk ereaders en tablets. Dit is tevens een van de aanbevelingen in het onderzoek.
Artikelenplatform eLinea biedt uitgevers van kranten, tijdschriften, strips, columnisten en aanbieders van multimediale content hét verdienmodel om de aanbevelingen in het rapport ten aanzien van digitale content optimaal te benutten. Ook Emerce besteedt vandaag aandacht aan de ontwikkeling van eLinea: ‘eReaders Group maakt onafhankelijk platform e-content‘.
Bron: Stimuleringsfonds voor de Pers
Bron plaatje: ‘De transitie naar digitale proposities in de krantenindustrie‘
Dit bericht is geplaatst op 8 juli 2010 om 14:14 en is geplaatst onder Betalen voor online content, In de media. Je kunt de reacties op dit bericht volgen via de RSS 2.0 feed. Je kunt een reactie plaatsen, of trackback vanaf je eigen site. -->
woensdag 14 juli 2010
Eigen bedrijf in trek bij student -(uit: de Volkskrant)
De studenten blijken een stuk meer geneigd een eigen bedrijf te beginnen dan drie jaar geleden. Dit jaar gaf 62 procent aan dat ondernemerschap een tamelijk tot zeer sterk deel van hun beroepswens is; bij een vergelijkbaar onderzoek in 2007 was dat nog maar 28 procent.
Bijna een kwart (23 procent) van de studenten zegt later zeker ondernemer te willen worden. Drie jaar geleden was dat nog 13 procent. Ook hier is de stelligheid bij studenten in het beroepsonderwijs groter dan die bij studenten aan een wetenschappelijke opleiding. Op het wo is de stijging ten opzichte van 2007 wel het sterkste.
Volgens Petra Gibcus van EIM is de diversiteit van de terreinen waarin studenten werken, enorm. ‘Dat kan ICT, kunst of economische dienstverlening zijn, maar ook in de psychologie.’
De studenten die overwegen een eigen bedrijf te beginnen, noemen als belangrijkste reden het aangaan van een uitdaging, onafhankelijkheid en de wens veel geld te verdienen (in die volgorde). Als belangrijkste noodzakelijke vaardigheiden zien ze goed kunnen communiceren en organiseren en risico’s durven nemen.
Ten opzichte van het begin van de regeling Ondernemerschap en Onderwijs 2007 blijken steeds meer scholen in hun curriculum aandacht te besteden aan ondernemerschap en contacten met het bedrijfsleven. Universiteiten en basisscholen doen hier het minste aan.
Dat is ook nodig, zegt Petra Gibcus, omdat er steeds een lichting ondernemers met de vergrijzing verdwijnt. ‘Je moet dus steeds nieuwe mensen hebben die bedrijven beginnen.’ In families waar al ondernemers actief waren, gebeurt dat gemakkelijker dan in families zonder dat soort voorbeelden. Daarom is het goed, zegt Gibcus, als het onderwijs ook jongeren laat kennismaken met ondernemerschap.
Volgens het ministerie van Onderwijs is ondernemerschap van belang omdat dit bijdraagt ‘aan een sterke samenleving die in staat is mee te bewegen met de veranderingen in de maatschappij en aan een kenniseconomie die behoort tot de wereldtop’. Op dit moment hebben echter nog te weinig mensen een voorkeur voor ondernemerschap, constateert het kabinet, en wordt meer en meer van burgers verwacht dat ze actief deelnemen aan de samenleving, zich minder afhankelijk maken en zich ook minder afwachtend opstellen.
donderdag 8 juli 2010
De morsige held en het digitaal vertrouwen (V en slot) (bron: De nieuwe reporter)
De journalist is een altijd dronken, opdringerige, slecht geklede held die zich zijn brutaliteit kan veroorloven zolang hij uiteindelijk the good guy is. Hij mag, althans in de Hollywoodfilms die zijn imago goeddeels bepaalden, volop liegen en bedriegen, stelen en omkopen en elke ethische code aan zijn laars lappen zolang hij dat niet doet voor zijn eigen ego maar om een nog grotere schurk te ontmaskeren.
De journalist, zegt Joe Saltzman – journalist en docent aan Annenberg – in een interview met blogger Henry Jenkins, is sinds het begin van de twintigste eeuw een gemankeerde held. Weinig geliefd, met argwaan bekeken, maar gedoogd omdat hij het publieke belang zegt te dienen. Dat Saltzman het vooral over de Amerikaanse journalist heeft, die met muckraking grootgebracht werd, spreekt voor zich.
Het imago klopt niet met de werkelijkheid, niet nu en niet hier. Het heeft zich in eerste instantie gevormd in de jaren van de penny press, de naar roddel jagende Amerikaanse boulevardpers. En het is bijgesteld toen de journalistiek onderzoek ging doen; Woodward en Bernstein (All the president’s men) introduceerden een nieuw type, dat – helaas – weer minder dominant werd toen entertainment en televisie het begonnen te winnen van gedrukte media.Maar het morsige imago past ook minder bij de Nederlandse journalist. In de halve eeuw van verzuilde kranten was de archetypische verslaggever – althans in de beeldvorming – eerder volgzaam dan brutaal, zij het soms inderdaad in kennelijke staat. Sinds pakweg 1966, niet toevallig het jaar waarin de School voor de Journalistiek in Utrecht begon, is hij zelfbewuster geworden, professioneler, en na enige tijd ook afhankelijker. Beter, zou je zeggen.
We vertrouwen wat we kennen
Het groeiende wantrouwen jegens de pers van de afgelopen tien jaar blijft merkwaardig. De pers maakt niet meer fouten dan dertig jaar geleden, waarschijnlijk zelfs minder, maar wat ze misdoet wordt meer dan ooit uitvergroot – omdat de assertieve burger en gemaltraiteerde politicus de weg weten te vinden naar de rechter en de Raad voor de Journalistiek, omdat media hun eigen fouten openlijker toegeven en onderzoeken, en omdat internet zijn eigen watchdogs voortbracht.Het oude vertrouwen in de pers is met de jaren gegroeid. Hoe langer een relatie duurt, hoe groter de kans dat je iets of iemand vertrouwt, of in elk geval – de rechercheur en zijn verklikker – denkt te weten in welke mate je iemand kunt vertrouwen. Het oude vertrouwen in media moest wel een resultaat zijn van het schier levenslang lezen van een dagblad, of van het rituele Journaal-kijken.
Logisch dat steeds meer mensen de pers wantrouwen als steeds minder mensen die pers dagelijks volgen, of denken dat er geen andere journalisten zijn dan tv- en roddelbladenpaparazzi. Toegegeven, de redenering is verdacht simpel. Het wantrouwen in de media groeit niet omdat we gemiddeld vinden dat de pers slecht werkt, maar omdat we gemiddeld minder kranten lezen. Wat we niet kennen, vertrouwen we niet; sterker nog: wat we niet kennen – vreemd eten, vreemde gewoontes -, beladen we met wantrouwen. We zetten ons af even tegen wat we niet kennen. Daar wordt het wij-gevoel en de sociale structuur sterker van.
Kranten die niet worden vertrouwd hebben dus wel een probleem, maar misschien een ander dan ze dachten. De mogelijkheden om hun oplage te verhogen zijn niet geweldig groot, maar ze kunnen via nieuwe media wel hun imago versterken. Dat is geen nieuwe gedachte – internet als marketingkanaal is het oudste online verdienmodel – maar misschien kunnen media er slimmer en bewuster mee omgaan.
Zand en klei
Vertrouwen moet telkens worden bevestigd. Albert Heijn en Volvo moeten elke dag bewijzen dat ze het waard zijn. Maar de manier waarop de indruk van betrouwbaarheid, het imago, wordt vastgelegd en in stand wordt gehouden, veranderd in een digitale cultuur omdat informatie – waarvan “vertrouwen” is gemaakt – nu eenmaal een andere structuur heeft – zoals los zand zich anders gedraagt als een klomp kneedbare klei.Het is al dikwijls gezegd: op internet is vertrouwen veel vaker het direct meetbare, controleerbare en bruikbare product van wat gebruikers ergens van vinden. Meer dan een late en voor de gebruiker nutteloze onderzoeksstatistiek (“40% van de Nederlanders verrouwt de media”) is online vertrouwen persoonlijk en onmiddellijk: we kunnen zien wie wat vindt van welk product, en handelen daar meteen naar. Kijk naar Marktplaats en eBay en Digg.
Daar horen twee kanttekeningen bij. Vertrouwen ontstaat al duizenden jaren in sociale netwerken, maar de netwerken van social media zijn wellicht minder vergelijkbaar met traditionele verbanden dan we denken. Online vrienden zijn niet allemaal “echte” vrienden (en dus ontvrienden we af en toe). Online netwerken gaan vaak over één ding, één onderwerp, één passie. Dat maakt ze heel bruikbaar voor het creëren van vertrouwen op dat ene onderwerp, maar waarschijnlijk ongeschikt zodra het eigenlijk over iets anders gaat.
En twee: journalisten moeten nog steeds doen wat ze altijd moesten doen. Bronnen noemen, transparant zijn over hun bindingen (“van welke denktank is die commentator eigenlijk lid?”) en methodes, verwijzen naar documenten, ruimhartig rectificeren als dat nodig is, en fair omgaan met degenen over wie en voor wie je schrijft. Dat doen we allemaal meestal heel behoorlijk, maar de perceptie van een deel van het publiek is anders en elke fout loopt de kans uitvergroot te worden.
Doe wat kan, het wordt verwacht
Het vertrouwen in de pers kan worden hersteld. De behoefte aan nieuws en opinies die vooral ook betrouwbaar zijn, zal weer toenemen. Zichtbaar zijn – behalve in druk ook online en mobiel – helpt. Zorgvuldig en fair werken, helpt ook. Maar er is natuurlijk meer. Op internet ontstaan nieuwe normen en gebruiken, domweg omdat ze technisch mogelijk zijn.The Washington Post komt in een verhaal over generaal McChrystal niet meer weg met louter anonieme bronnen, zegt blogger Jeff Jarvis. Dat het in die gezaghebbende krant staat, is niet meer voldoende. De moderne lezer verwacht bronvermelding, omdat de cultuur en technologie van internet dat – met de verwijzende hyperlink – als norm hebben omarmd en mogelijk gemaakt.
Dit is het vijfde en laatste deel van een serie posts over vertrouwen in de journalistiek. Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Henk Blanken.
