maandag 5 juli 2010
De defensieve innovatiecultuur in de journalistiek « De nieuwe reporter
Ter gelegenheid van de presentatie van het Handboek Crossmediale Journalistiek en Redactie op 30 juni, hield een van de auteurs, Alexander Pleiijter, onderstaande inleiding.
1995 is het geboortejaar van de Nederlandse internetjournalistiek. In 1995 gingen namelijk de eerste Nederlandse kranten online (Eindhovens Dagblad en NRC Handelsblad), kwam het eerste opinieblad met een website (De Groene Amsterdammer) en vond de lancering plaats van Planet.nl en Webwereld, die een belangrijke voortrekkersrol vervulden voor de Nederlandse internetjournalistiek.
Nieuwe mogelijkheden
Het was een tijd die volop revolutionaire veranderingen ademde. Een tijd van nieuwe mogelijkheden. Mogelijkheden voor nieuwe vormen van journalistiek, nieuwe manieren van verhalen vertellen, nieuwe manieren om het nieuws te presenteren en te verspreiden. Kortom, nieuwe mogelijkheden voor het verbeteren van de journalistiek.
De kwaliteiten die internet anders maken dan andere media zijn met name de volgende:
1. Actualiteit
2. Multimediaal
3. Interactief
4. Hypertekstueel
5. Volop ruimteDefensieve innovatiecultuur
Maar lange tijd kwam er maar bar weinig van terecht van al die mooie beloftes. Het benutten van al die mogelijkheden ging eigenlijk heel langzaam. Een van de oorzaken schuilt in de defensieve innovatiecultuur bij veel mediaorganisaties.Kenmerkend zijn twee typen reacties:
1. Kill them: Het bagatelliseren van alle nieuwe ontwikkelingen door ze af te doen als irrelevant. Met uitspraken als: internet is een hype, burgerjournalistiek bestaat niet, bloggers zijn schreeuwerds.
2. Join them: meedoen omdat het moet. Ergo, geen echte belangstelling in het ontdekken van de mogelijkheden van nieuwe media. Meedoen om niet achterop te lopen, meedoen uit angst te verdrongen worden door nieuwe media of overbodig te worden. Geen oprechte belangstelling voor nieuwe mogelijkheden.
Knelpunten voor innovatie
De angst om overbodig te worden of niet mee te gaan met deze tijd, is de belangrijkste raadgever. Dat leidt tot de volgende knelpunten of barrières:1. Nieuwe initiatieven mogen niet schadelijk zijn voor de bestaande. “Een website? Prima,want we willen niet achter lopen, maar als die site maar niet concurrerend is met de krant.” Want, zo is het argument, met de krant verdienen we geld en met internet niet. Dus kregen we krantensites die aanvankelijk geen actueel nieuws gaven. Eerst moest de krant bij de abonnee op de mat liggen, daarna kwam het op de website. Het gevolg: nieuwsorganisaties ontwikkelden geen websites die onderscheidend en superieur waren aan hun papieren product. Het credo was om vooral met minimale kosten te werken, kortom, shovelware: berichten die voor de krant werd geschreven online zetten. Zonder verdere bewerking, zelfs zonder ook maar één link aan te brengen. Lekker goedkoop.
2. Het oude medium blijft de prioriteit voor journalisten omdat ze dat nu eenmaal gewend zijn. Nog steeds hoor je vaak zeggen dat journalisten ‘op de krant werken’ en dat ook zo voelen. Met als gevolg dat de papieren krant voorrang krijgt. Typerend voorbeeld uit de praktijk: bij groot nieuws vraagt een internetredacteur een journalist op de redactie: “Kan je snel een nieuwsbericht maken, we moeten het nieuws snel brengen op de site.” Waarop de journalist antwoordt: ”Even geduld, ik maak eerst even mijn artikel af voor de krant, daarna heb ik wel even tijd voor jou.”
3. Redacties krijgen van hogerhand geen tijd om zich te verdiepen in de mogelijkheden van nieuwe media, omdat het oude medium prioriteit blijft houden en nieuwe media bijzaak zijn. Dus krijgen journalisten geen tijd om na te denken over innovatie journalistieke projecten. Hun taken blijven hetzelfde, prioriteit is het produceren voor het oude medium. Elke activitieit voor internet is extra werk. Een journalist die blogt op de website van de eigen krant? Hartstikke leuk, maar die krijgt daar geen compensatie voor en doetdat dus in feite in de eigen vrije tijd.
4. Niet de juiste mensen op de juiste plek. Het aanstellingsbeleid op redacties is vaak niet gericht op innovatie. Als iemand goed werk levert als verslaggever, dan komt er een moment dat hij of zij in aanmerking komt voor een promotie, bijvoorbeeld een leidinggevende functie. Maar een goede verslaggever hoeft geen goede manager te zijn. En ook geen goede vernieuwer. En dus komen de verkeerde mensen op de verkeerde plek terecht. Op het weblog DodeBomen.nl las ik over de internetredactie van een Nederlandse krant die een chef kreeg die niet wist wat een RSS-feed is. Hoe kan je van zo iemand innovatie verwachten?
5. Innovatie is op redacties vaak particulier initiatief, zonder dat er een plan is met een visie en zonder dat er een redactiebreed beleid is om zo’n innovatie te implementeren. Zie als voorbeeld blogs op veel nieuwssites: enkele journalisten, die dat leuk of belangrijk vinden, hebben een blog, maar er is geen lijn in te ontdekken. Het is vaak een vergaarbak van willekeurige onderwerpen. Waarom op Volkskrant.nl bijvoorbeeld wel een blog Standplaats Groningen, maar geen blog over andere steden? Waarom wel een blog over voetbal en bridge, maar niet over andere sporten?
6. Het hardnekkige principe van ‘wij publiceren, jullie consumeren’ dat hoogtij blijft vieren in de journalistiek. Burgerjournalistiek en user generated content worden bruusk van tafel geveegd, onder het mom van waardeloos, nutteloos , niet-journalistiek. Terwijl de meest fundamentele verandering van internet bestaat uit het afbreken van dat gesloten monopolie van de journalistiek. Internet is netwerken, delen, samenwerken, uitwisselen. Daar worden journalisten niet slechter van, maar beter.
Als journalisten te weinig nadenken over de voordelen en mogelijkheden van nieuwe media, en louter halsstarrig vasthouden aan de aloude journalistieke principes, doen ze het vak geen deugd, maar kwaad. Dan helpt de journalist zijn eigen vak om zeep.
Bovenstaande inleiding is ook gepubliceerd op het weblog van de auteur.
zondag 4 juli 2010
Vertrouwen in de journalistiek blijft noodzakelijk (III) (bron: De nieuwe reporter)
Het is om moedeloos van te worden. Strijden tegen dit soort journalistieke mastodonten is zinloos, het weerwoord zal toch nooit worden begrepen, laat staan tot een andere visie leiden. Zelfs GeenStijl heeft er zijn grote succes aan te danken, effectief als ze is om de “blind spots” in de analyse van de kwaliteitsjournalist bloot te leggen. Ook in deze column weer de ene na de andere blunder en het gemakkelijke afschuiven van het ontstane wantrouwen op losgeslagen burgers en aluhoedjes.
Het is natuurlijk klip en klaar dat het wantrouwen in de traditionele journalistiek een gevolg is van andere factoren dan hier betoogd. Een journalistiek die niet in staat is tot een evenwichtige analyse van maatschappelijke ontwikkelingen, waarbij heel selectief belangrijke issues worden gebagetelliseerd en onderstromen worden gemist of met dedain worden afgeserveerd, is zelf schuldig aan ontstaan wantrouwen. Tel daarbij op een enorme vervlakking en in het journalistieke werk – Humberto Tan was recentelijk als nota bene RTL boulevard presentator een van de weinigen die werkelijk de angels in het PVV programma ontdekte en dat in zijn uitstekende, kalme en onbevooroordeelde commentaar verwerkte zonder Wilders als een nazi in de hoek te zetten – en de voortdurende hang naar hype en relzucht, en het is duidelijk dat onze zogenaamd objectieve, betrouwbare en geloofwaardige kwaliteitsjournalistiek alles aan zichzelf heeft te danken.
Burgers zijn niet gek, het internet is geen oorzaak en zelfs de ontzuiling biedt geen verklaring. Het is het ontransparante en zichzelf steeds in bescherming nemende systeem van oude instituties, onlosmakelijk vervlochten met de traditionele journalistiek, en hun angstvallig vasthouden aan een maatschappijvisie uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, dat zorgde voor toenemende en zeer terechte kritiek vanuit de samenleving. En hoe hardnekkig en arrogant die visie is kunnen we lezen in ontelbare artikelen van mensen als Henk Blanken en honderden gelijkgestemden. Ze begrijpen er nog steeds niets van en worden al meer dan een decennium weggelachen door verstandige burgers die wel doorhebben wat zich voltrekt.
vrijdag 2 juli 2010
Vertrouwen in de journalistiek (II): De mediamaslow (bron: De nieuwe reporter)
Op de markt voor media is “vertrouwen” geen modieus artikel. De Google-generatie betaalt er niets extra’s voor; ze kunnen zonder – denken ze. Klassieke journalisten hebben het daar moeilijk mee, omdat hun handelswaar gemaakt is van betrouwbaarheid, zoals brood van granen. Voor een flink deel is de crisis in de journalistiek hierop terug te voeren, maar de kans is groot dat dit verandert. Misschien verklaart de “mediamaslow” waarom.
Nieuws is een product, net als opinie. Vertrouwen is dat niet. Het is een aspect van informatie-uitwisseling, een kwaliteit, zoals de kleur van een auto. Vertrouwen is “los” geen geld waard, evenmin als een merknaam. Het merk Google is het duurste op aarde, maar is niet los verhandelbaar (uitzonderingen zijn dat slechts in schijn: het computermerk Commodore bracht geld op zonder productielijn, maar die transactie werd pas zinvol toen er weer Commodore-producten waren).
Als aspect van de informatie-economie is vertrouwen veel geld waard geweest. Dat merk je als het weg is. De koersen van banken dalen als klanten graaiende bankiers gaan wantrouwen. Campagnes om het vertrouwen van de burger in de politiek te herstellen kosten handenvol geld. Maar de NRC-lezer die jaar in jaar uit zijn abonnementsgeld overmaakte, stond er nauwelijks bij stil dat hij betaalde voor betrouwbaarheid.Mediamaslow
De technologie van internet heeft het ecosysteem van het nieuws nogal verstoord. Oude en stabiele productielijnen zijn ineens achterhaald. Het aanbod is oneindig veel groter dan de vraag. En de verpakking van het nieuws – de krant van half zeven, het journaal van acht uur – wordt op den duur even anachronistisch als een twintigdelige hardcover encyclopedie. Dat uiteenvallen van de verpakking wordt unbundling genoemd. En met die ontbundeling wordt betrouwbaarheid een aspect waar je voor kunt kiezen – of niet.Het fenomeen – vertrouwen als mode van gisteren – doet denken aan de piramide van Maslow. Zoals we weten sinds de Amerikaanse psycholoog Abraham Maslow zijn schema in 1943 ontwikkelde, streeft de mens de bevrediging van zijn behoeften in een bepaalde volgorde na. Eerst willen we eten en drinken, dan een dak boven ons hoofd, daarna pas vriendschap en liefde. Als aan die behoeften is voldaan, verlangen we naar waardering, kennis en uiteindelijk naar zelfontplooiing.
Hoewel er van alles aan te merken valt op de Maslow-piramide (zie Wikipedia), zegt het model misschien iets over de manier waarop we onze behoefte aan informatie – aan kennis zo men wil – bevredigen. Zou er een logische volgorde kunnen zitten in hoe we nieuws consumeren? En is die volgorde misschien overhoop gegooid door de verstorende technologie van internet?
Gele pc’s
Sommige producten worden snel beter, maar op onderdelen helemaal niet. Het heeft decennia geduurd voordat je een pc kon kopen met een andere dan een grijze kast. Kennelijk zat niemand op een gele pc te wachten. Dat veranderde toen Apple ontdekte dat die behoefte aan vormgeving – en veel gebruiksvriendelijkheid – niet afwezig was, maar sluimerde. Eerst moest een pc krachtiger, betaalbaarder, compacter en betrouwbaar zijn.In het klassieke massamediale model van het nieuws – dat nog steeds functioneert, zij het op zijn laatste benen – kun je verschillende productkwaliteiten aanwijzen. Actualiteit, compleetheid, amusementswaarde. Het vermogen om de macht te controleren was een toegevoegde waarde. Dat de krant stipt op tijd werd bezorgd een andere. En betrouwbaarheid – ik geloof die krant – had waarde omdat die zich vertaalde in bijna levenslange verbintenissen (“Ik ben al veertig jaar lid, meneer”).
Maar ontbundeling heeft die samenhang verstoord. En het aanbod van nieuws heeft de hiërarchie van deelbehoeftes overhoop gehaald. Actualiteit is nu schreeuwend belangrijk. Het nieuws moet overal kunnen worden genoten. Informatie moet onmiddellijk bruikbaarheidwaarde hebben, op de individuele consument toegesneden. Dat we kunnen terugpraten (reaguren) lijkt waardevoller dan de afgewogen opinies van deskundigen. Er is minder vraag naar compleetheid dan naar compactheid, minder naar gezag dan naar transparantie, meer naar links dan naar credits.
Niet onwrikbaar
Waarom is Maslow nuttig in dit verhaal? Omdat de hiërarchie van de bevrediging van informatiebehoeftes misschien niet onwrikbaar vastligt. Het lijkt erop dat die zich nog vormt; internet is per slot van rekening nog een onvolwassen medium, het ontwikkelt zich nog volop.Toen de netwerktechnologie informatie overvloedig maakte, zijn we onze specifieke nieuwsbehoeftes opnieuw gaan indelen, afhankelijk van de mogelijkheden. Eerst wilden we vooral veel weten. Toen moest het snel. Toen op onze persoonlijke maat. Toen bruikbaar. Toen mobiel. Ergens daartussendoor bevredigden we onze behoefte aan communicatie over het nieuws. En gingen we bewegend beeld hoger waarderen dan tekst.
Over de volgorde van die deelbehoeften valt graag te twisten, maar misschien bestaat er een hiërarchie die je de mediamaslow zou kunnen noemen. Als dat zo is, is het heel wel denkbaar dat nieuwsconsumenten – als ze al hun primaire behoeften hebben vervuld – waarde gaan zien en, vooruit, geld willen gaan betalen voor betrouwbaarheid. Dan is de collectieve argwaan jegens de pers misschien slechts een overgangsfase.
Dit is het tweede deel van een korte serie posts over het vertrouwen in de journalistiek. Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Henk Blanken.
Onderzoek naar mediabestedingen in Nederland · (via Marketingfacts)
Op 23 juni 2009 presenteerde de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers het adviesrapport ‘De volgende editie’ (pdf). De commissie bracht advies uit over de innovatiemogelijkheden binnen de pers op korte termijn en over de toekomst van de Nederlandse nieuws- en opinievoorziening op lange termijn, toegespitst op de rol van de pers. Eén van de aanbevelingen van de commissie was een onderzoek naar de effecten van reclame bij de publieke omroep (landelijke, regionaal, lokaal), om vast te stellen of en hoe dit fenomeen het concurrentieveld in de mediasector beïnvloedt. De Ministeries van OCW en EZ hebben naar aanleiding daarvan besloten onderzoek te laten doen naar hoe de reclamemarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen. TNS Nipo en Nielsen presenteerden eind mei de resultaten van dit onderzoek (pdf).
Naast een overzicht van de netto en bruto mediabestedingen over de periode 2000-2009, geeft het onderzoeksrapport een toekomstverwachting van de mediabestedingen:
Op 23 juni 2009 presenteerde de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers het adviesrapport ‘De volgende editie’ (pdf). De commissie bracht advies uit over de innovatiemogelijkheden binnen de pers op korte termijn en over de toekomst van de Nederlandse nieuws- en opinievoorziening op lange termijn, toegespitst op de rol van de pers. Eén van de aanbevelingen van de commissie was een onderzoek naar de effecten van reclame bij de publieke omroep (landelijke, regionaal, lokaal), om vast te stellen of en hoe dit fenomeen het concurrentieveld in de mediasector beïnvloedt. De Ministeries van OCW en EZ hebben naar aanleiding daarvan besloten onderzoek te laten doen naar hoe de reclamemarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen. TNS Nipo en Nielsen presenteerden eind mei de resultaten van dit onderzoek (pdf).Naast een overzicht van de netto en bruto mediabestedingen over de periode 2000-2009, geeft het onderzoeksrapport een toekomstverwachting van de mediabestedingen:
eageer
- 177x
228x
0
![]()
- vrijdag 2 juli 2010, 7:15
-->De mediabranche is in Nederland een erg volwassen markt en dit betekent dat de aandelen van de mediumtypen onderling de laatste jaren relatief stabiel zijn. Zo zijn de marktaandelen tussen de mediumtypen vanaf 2005 nauwelijks gewijzigd (met uitzondering van internet). De verwachting voor de middenlange termijn, 2010-2013, is dat de mediabestedingen weer zullen herstellen van de dip in 2009. Met hoeveel precies is afhankelijk van macro economische ontwikkelingen, bedrijfsresultaten en andere factoren die de mediabudgetten van adverteerders bepalen. De volwassen traditionele media zullen elkaar wat procenten marktaandeel blijven afsnoepen alleen het mediumtype internet zal harder groeien dan het marktgemiddelde aldus TNS Nipo en Nielsen.
De grootste verandering bij televisie zal waarschijnlijk te maken hebben met de convergentie met internet. De vraag is niet of dat gebeurt, maar wanneer. Wat traditionele spot advertising betreft is de verwachting dat deze vorm van adverteren redelijk aan het plafond zit als het gaat om de hoeveelheid spots. Dit heeft te maken met regelgeving, maar ook vanuit de markt zelf is er toch wel kritiek op de hoeveelheid spots die er wordt uitgezonden. Radio heeft zijn kracht in de loop van de tijd bewezen, maar er zijn geen tekenen dat er echt grote vernieuwingen bij dit mediumtype aan zitten te komen. Bij de dagbladen is de verwachting dat exploitanten nog meer multimedia platforms zullen gaan aanbieden. De Persgroep daarentegen kiest wel duidelijk voor een één-dimensionale strategie en heeft echt gekozen voor het mediumtype dagblad juist als een goed advertentiemedium. Regionale dagbladen zullen het moeilijk blijven houden. Internet en lokale media zullen steeds meer de rol van regionale dagbladen overnemen. Waardoor op termijn meer regionale titels zullen verdwijnen. Ook bij de publiekstijdschriften is de verwachting dat de ontwikkeling naar meer multimediale platforms zal doorzetten.
Opmerkelijk genoeg verwacht TNS Nipo en Nielsen niet dat internet de komende jaren internet voor grote adverteerders (top 500) het hoofdmediumtype zal worden in plaats van nu bijvoorbeeld televisie of dagbladen. Een heel groot bereik in een korte tijd realiseren zal toch moeilijk blijven op internet aldus de onderzoekers.
De discussie over of iets televisie is of internet wordt nu al gevoerd in de bereiksonderzoeken. Hoort het aantal mensen dat via bijvoorbeeld uitzendinggemist.nl een tv-programma bekijkt nu bij het televisiebereik of het internetbereik of bij beide typen bereik? Eenzelfde discussie zou gevoerd kunnen worden over de papieren krant en de krant online. Deze discussies duiden er ook op dat platforms steeds belangrijker worden in plaats van de individuele mediumtypen.
reageerDoorsturen of afdrukken
donderdag 1 juli 2010
Jongeren meer online en minder TV · Mediaonderzoek.nl
Jongeren meer online en minder TV
Gisteren publiceerde CBS een bericht over de toenemende online mediaconsumptie bij jongeren ten koste van televisie. In 2009 had 99% van de jongeren van 12 tot 25 jaar toegang tot internet. Negen op de tien jongeren brachten ook dagelijks tijd door op het web. In 2005 lag dit aandeel met 76% veel lager. Jongeren internetten vooral om te communiceren (e-mailen en chatten), voor het spelen van games en downloaden van films en muziek. Jongeren van 12 tot 25 jaar bestellen en kopen online ook steeds meer producten zoals kleding, sportartikelen en kaartjes voor evenementen. Dit aandeel is toegenomen van 46% in 2005 tot 70% in 2009.
CBS stelt verder dat jongeren online veel televisieprogramma’s op elk gewenst moment bekijken. Ze zitten de afgelopen jaren dan ook steeds minder voor de ‘televisie’. Het aandeel 12- tot 18-jarigen dat 10 uur per week of meer tv kijkt via een tv-toestel is gedaald van 76% in 2000 tot 62% in 2008. Het aandeel jongeren dat geen of minder dan 10 uur per week voor de tv zit nam in dezelfde periode flink toe van 24 naar 39%. In minder sterke mate geldt deze trend ook voor de jongeren van 18 tot 25 jaar, aldus het CBS.
Twee weken geleden kwam SPOT naar buiten met het eigen Tijdbestedingsonderzoek. Ook daarin werd melding gemaakt van de lange tijd die jongeren online besteden aan vooral social media.
-->
